
De meeste beleggers en financiële deskundigen zijn niet erg optimistisch over een goede afloop van de eurocrisis. Toch is een oplossing zeker niet onmogelijk, aldus professor Sweder van Wijnbergen tijdens de Robeco Visie-bijeenkomst in januari.
Van Wijnbergen begint zijn betoog met een hart onder de riem voor de geplaagde eurolanden. Landen die een crisis hebben doorgemaakt, zo meent hij, groeien doorgaans aanzienlijk sneller dan landen die niet door een crisis zijn getroffen. Van Wijnbergen verklaart dit door de relatief grote financiële sector in de eerste groep, een sector die weliswaar kwetsbaarheid in het systeem brengt, maar ook de economische groei stimuleert. De oplossing ligt dan ook niet in een algehele herziening van het systeem, maar in het minder kwetsbaar maken ervan door, bijvoorbeeld, het toezicht te versterken, het nemen van risico minder aantrekkelijk te maken en hogere buffers bij banken verplicht te stellen.
Besmettingsgevaar
Hoewel de Europese Centrale Bank zeker goed is toegerust om de eerste branden te blussen in landen als Italië en Spanje, is ze niet in staat om een structurele oplossing voor de hele eurozone te bieden. Het risico dat landen niet meer in staat zullen zijn hun schulden af te lossen, is immers niet beperkt tot de perifere landen. De schuldproblemen rollen als een golf van zuid naar noord, door de grote belangen van de noordelijke banken in de schuld van landen als Spanje en Italië. Vooral banken in Frankrijk hebben enorme posities in de Italiaanse staatsschuld (ruim 400% van het eigen vermogen!). Een risico dat al door de markt was gezien, getuige de koersval van Franse banken.
Het Mexicaanse recept
Wat dan te doen? Van Wijnbergen was in de jaren tachtig zelf als hoofdeconoom voor de Wereldbank betrokken bij de aanpak van de schuldencrisis in bijvoorbeeld Mexico. Dat land voerde een streng hervormingspakket door. Het stelde orde op zaken in de publieke sector, realiseerde een grondige deregulering en zette grootscheepse privatiseringen op touw om de efficiëntie van de economie te bevorderen. Ook de belastingadministratie werd sterk verbeterd.
‘Hieruit kan Europa lering trekken’, meent Van Wijnbergen. Hij stelt een stappenplan voor. Allereerst moeten de ‘rotte appels’, de getroffen landen in de periferie, grondig en structureel worden aangepakt. Dit gebeurt naar zijn mening nu veel te weinig. Waar al wel een voorzichtig begin mee is gemaakt, is de tweede stap: het stoppen van de besmetting van nu nog gezonde landen. Dit houdt een radicale herkapitalisatie in van banken – zoals de Franse – met grote posities in risicovolle staatsschuld. Bovendien moeten er geloofwaardige hervormingsprogramma’s komen in de perifere landen. Dit is alleen mogelijk als er zichtbare, breed gedragen politieke steun is.
Ten slotte schrijft Van Wijnbergen structurele, institutionele hervormingen in de Europese Unie voor. Zo moeten de Europese Unie en het IMF slagvaardiger worden gemaakt om op te treden in tijden van crisis. Ook de fiscale structuur en het bankensysteem in de Europese Unie dienen te worden hervormd. Uiteindelijk is een gecentraliseerde controle op de begrotingen noodzakelijk. ‘Dit is zeker niet onmogelijk’, aldus Van Wijnbergen, ‘maar het zal nog wel even duren voor het zo ver is.’