In deze column zal ik met u ‘1/n diversificatie heuristiek’ doornemen. Een belangrijke financiële vraag is hoe u als belegger de beleggingsinstrumenten in uw portefeuille kiest. Praktisch blijkt dit een zeer complexe beslissing te zijn. Vele beleggers gebruiken daarom (onbewust) verscheidene vuistregels om zulke complexe beslissingen te kunnen nemen. In mijn vorige column heb ik al een belangrijke vuistregel doorgenomen; de ’ignorance of diversification benefits’. Deze houdt in dat beleggers zich richten op de aantrekkelijkheid van individuele beleggingsalternatieven en diversificatievoordelen negeren.
De ‘1/n diversificatie heuristiek’ is een andere belangrijke vuistregel die beleggers gebruiken. Deze vuistregel houdt in dat beleggers het geld dat ze gaan beleggen (ongeveer) gelijk verdelen over de gekozen beleggingsalternatieven. Dus als men bijvoorbeeld 4 aandelen in de portefeuille besluit op te nemen hebben veel beleggers de neiging 25% in elk aandeel te beleggen.
Beleggers passen deze regel waarschijnlijk toe omdat ze hiermee denken goed hun beleggingen te spreiden. Deze heuristiek blijkt ook aantrekkelijk te kunnen zijn. Zo is het een robuuste (en daardoor goede) keuze is als er veel onzekerheden in de markt zijn. Daarnaast, is het een regel die mogelijk spijt van beleggers kan beperken.
Pas op!
Echter, beleggers passen hem niet altijd optimaal toe, waardoor ze soms ‘naïef’ beleggen. Ten eerste kiezen vele beleggers vrij weinig aandelen in hun portefeuille, waardoor men uiteindelijk niet goed gespreid is.
Ten tweede, leidt de ‘1/n diversificatie heuristiek’ tot een allocatie die sterk kan afwijken van de portefeuille die men het liefst zou aanhouden. Zo blijkt uit een Amerikaans onderzoek dat een grote meerderheid van de beleggers portefeuilles aanhouden die ze liever niet zouden hebben als ze deze vergelijken met portefeuilles van andere (voornamelijk professionele) beleggers.
Ten derde, spreiden beleggers hun allocaties gelijk over de beleggingsalternatieven die ze kiezen. De alternatieven die ze kiezen blijken echter sterk af te hangen van de alternatieven die zichtbaar zijn of aangeboden worden. Hierdoor, hangen de gekozen allocaties sterk af van de beleggingsmogelijkheden, wat vooral een probleem blijkt te zijn in ‘defined contribution’ pensioen plannen. In deze plannen moeten beleggers zelf beslissen hoe ze hun pensioengeld willen beleggen.
Een stuitend voorbeeld van dit laatste gedrag is terug te vinden in het beleggingsgedrag van deelnemers in een groot Amerikaans pensioenfonds. Dit fonds bood eerst twee fondsen aan (een mixfonds en een obligatiefonds), waarover de deelnemers hun geld konden spreiden. Het gemiddelde percentage dat door de deelnemers in dit geval (Case 1) in aandelen werd belegd, is in onderstaande figuur afgebeeld.

Deze bedroeg ongeveer 20%, doordat vele beleggers hun geld gelijk verdelen over beide fondsen. Vervolgens veranderde dit pensioenfonds de beleggingsmogelijkheden voor zijn deelnemers door een extra obligatiefonds en drie aandelenfondsen aan te bieden (Case 2). Heel veel beleggers spreidden hun geld nu gelijk over de zes aangeboden fondsen, wat resulteerde in een ongeveer 50% dat in aandelen werd belegd. Twee jaar later veranderde dit pensioenfonds opnieuw zijn keuzemogelijkheden door een obligatiefonds minder aan te bieden (Case 3). Als gevolg van deze verandering ging de gemiddelde aandelenbelegging omhoog naar ongeveer 70%. Dus, de gekozen allocatie naar aandelen ging omhoog als er relatief meer aandelenfondsen werden gekozen en aangeboden.
Wat te doen?Deze beleggers belegden duidelijk naïef; ze verdeelden hun geld gelijk over de aangeboden beleggingsfondsen zonder dat men genoeg rekening hield met wat voor soort fondsen het waren, of wat de portefeuilles van de fondsen waren. Dit gedrag zal echter grote gevolgen hebben voor het pensioenbedrag van deze beleggers!
Wat is een oplossing voor naïef beleggen?
Ten eerste, zorg dat u genoeg beleggingsinstrumenten in uw portefeuille opneemt, zodat u goed gespreid bent. En als u in fondsen belegt, zorg dan dat u zich goed bewust bent van de onderliggende portefeuille van een beleggingsfonds, om zodoende een zo goed mogelijk gespreide portefeuille te kunnen samenstellen.
Ten tweede, vergelijk uw portefeuille met die van een vriend, buurman of een beleggingsadviseur voordat u uw beleggingsorders doorgeeft. Kiest u wel een portefeuille die u echt wilt?
Ten derde, beleg in al goedgespreide fondsen, zoals mix- of lifecyclefondsen. Let wel op bij deze laatste keuze. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat vele beleggers deze fondsen mixen met andere aangeboden fondsen (zoals pure aandelen- en obligatiefondsen), waardoor het effect van een meer conservatieve of meer progressieve allocatie van het gekozen mixfonds verdwijnt. Dus, als u toch wil spreiden over deze fondsen beleg dan in andere soortgelijke mix- of lifecyclefondsen!
Deze column verscheen ook op IEX.nlDr. Guido Baltussen is expert in behavioral finance. Momenteel is Baltussen senior researcher bij de Quantitative Strategies afdeling van Robeco, waar hij zijn behavioral finance-kennis gebruikt om lucratieve beleggingsstrategieën te ontwerpen. Ook is hij assistent Professor op de Erasmus Universiteit en managing partner van het statistisch advies- en trainingsbureau Tridata. Baltussen schrijft zijn columns op persoonlijke titel. De informatie in zijn columns is niet bedoeld als professioneel beleggingsadvies of als aanbeveling tot het doen van bepaalde beleggingen.