De obligatiemarkt begon aan het eind van de zomer vooruit te lopen op een deflatoire ontwikkeling van de wereldeconomie. Zo tikte de Duitse tienjaarsrente per ultimo augustus de 2,1 procent aan. En dat terwijl de feitelijke inflatie in euroland op jaarbasis nog altijd 1,7 procent bedraagt. Aanleiding voor de toenemende somberheid van de obligatiemarkt is, denk ik, vooral te vinden in de zeer teleurstellende ontwikkelingen in Japan en in een reeks zwakke macro-economische cijfers uit de Verenigde Staten. Japan leek bewijsmateriaal voor een afkoelende Chinese economie, omdat China inmiddels als exportmarkt voor Japan net zo belangrijk geworden is als de VS. De Chinese autoriteiten zijn al geruime tijd bezig langs de lijnen der geleidelijkheid de Chinese economie in rustiger vaarwater te brengen en het zwakke tweede kwartaal in Japan paste dus mooi in dit plaatje.
Een puzzelstukje dat duidelijk niet paste, was de onwaarschijnlijk sterke groei van die andere sterk exportgedreven economie, Duitsland.
Die groeide in het tweede kwartaal ten opzichte van het eerste kwartaal 2,2 procent en liet daarmee de sterkste groei zien sinds met het meten van pan-Duitse groei na de eenwording in 1989 is begonnen. Ergens in de wereld moet blijkbaar sprake zijn van grote dynamiek die tot de aanschaf van Duitse kapitaalgoederen noopt. Wel, die dynamiek is uiteraard te vinden in de opkomende markten, China en India voorop. India groeide in het tweede kwartaal 8,8 procent op jaarbasis en de vooruitzichten voor het derde kwartaal zijn eveneens gunstig, mede dankzij een meevallende moesson. Na een gematigde daling sinds april liet de Chinese inkoopmanagersindex in augustus weer een stijging zien. Het lijkt er dus op dat de Chinese economie niet meer dan een gematigde groeivertraging laat zien zoals ook gewenst door de beleidsmakers) en dat een harde landing er niet in zit. In de VS zagen we overigens begin september een onverwachte – en ten opzichte van de verwachtingen ooknog forse – stijging van het ondernemersvertrouwen in de industriële sector. Daarmee wordt de veelgenoemde dubbele dip steeds onwaarschijnlijker. Het heeft het er alle schijn van dat de wereldeconomie in de tweede jaarhelft in een matig tempo doorhobbelt. De wereldwijde obligatiemarkten zijn al met al te somber.
Dat neemt niet weg dat de opvallende kracht van de Duitse economie niet houdbaar is. De euro zit weer in de lift en dat vermindert de relatieve aantrekkelijkheid van Duitse exportproducten. De Duitse consument blijft bovendien terughoudend: de detailhandelsverkopen
stellen de laatste twee maanden teleur. Duitsland toonde binnen euroland de sterkste groei in het tweede kwartaal. Je zou het daarom een winnaar van de eurocrisis kunnen noemen. Maar dit draagt niet bij aan het evenwichtsherstel binnen het eurogebied. De Griekse economie kromp, de rest van de zuidelijke periferie en Ierland lieten ternauwernood groei zien. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de risicopremies op overheidsschulden een opwaartse tendens laten zien ten opzichte van Duitsland, ondanks de afronding van het veiligheidsnet die inmiddels heeft plaatsgevonden. Het kan nog een onrustige herfst worden.
Léon Cornelissen is Chief Economist van Robeco
Deze column verscheen eerder in Safe Magazine