In China is het inflatiespook herrezen. Dat is allerminst verrassend nieuws. In reactie op de financiële crisis hebben de autoriteiten in 2009 en 2010 alle monetaire teugels losgelaten. Geld en krediet rezen met meer dan 30% de pan uit. Dat heeft het land voor een groeirecessie behoed maar oplopende inflatie was een bijna onvermijdelijk bijverschijnsel. Pijnlijk voor de portemonnee van de kleine Chinees en een groot sociaal probleem voor beleidsmakers. De eerste inflatiesignalen waren zichtbaar in de onstuitbare opmars van huizenprijzen. Vroeger kreeg iedereen een huis van de staat of van zijn bedrijf. Nu steeds meer mensen in de private sector werken en naar de stad toe trekken voor een beter toekomstperspectief, moet er gekocht of gehuurd worden. Eén van de grootste zorgen die een jonge Chinees heeft is of hij wel in staat zal zijn een huis te kopen voor zijn aanstaande familie. Het probleem daarbij is de aanbetaling voor een woning die 30% van de waarde bedraagt, gelijk aan ongeveer vijf jaarsalarissen in de grote steden. Voor vele starters is het onmogelijk om zoveel geld bij elkaar te krijgen.
De rijken hebben hun overtollige spaargeld grootschalig in de sector geïnvesteerd. Bij gebrek aan een volwaardig spectrum aan beleggingsalternatieven is gekozen voor de goudgerande belegging in vastgoed. (Dit is een overblijfsel uit de oude boerenlandcultuur: wie grond bezit heeft een inkomen, wie een huis bezit kan zijn welvaart op de volgende generatie overdragen). De overheid put zich nu uit in een eindeloze reeks maatregelen om huizenprijzen omlaag te krijgen. Tot dusver tevergeefs en nu is besloten om miljoenen woningen te gaan bouwen voor de minder draagkrachtigen: sociale woningbouw.
Nadat de huizenprijzen al direct na de monetaire verruiming in 2009 zijn gaan stijgen, begonnen de voedselprijzen pas medio 2010 uit de hand te lopen. Noodles, bier en babymelk het gaat allemaal omhoog om zijn eigen redenen. Niettemin is er een gemeenschappelijke factor en dat zijn hogere grondstoffenprijzen. Daar kan China op zich niets aan doen, hoewel veel wereldwijde vraagaanbodverhoudingen van grondstoffen tijdelijk uit het lood geslagen zijn met als belangrijkste factor de snel groeiende Chinese vraag. Dat trekt wel weer bij nu boeren er achter komen dat tarwe en katoen zulke goede prijzen opleveren....
In het algemeen geldt dat diensten in China nog goedkoop zijn. Maar de reputatie van China als lagelonenland komt ten einde en ook diensteninflatie accelereert. Na 30 jaar van één-kind-politiek begint China behoorlijk te vergrijzen en wordt het steeds moeilijker de productielijnen te vullen met goedkope jongeren. Lonen stijgen na stagnatie in 2009 (crisis!) weer met 15-20% in 2010 en 2011. De Chinese overheid vindt dat prima en ondersteunt de looneisen van harte: ook minimumlonen zijn flink verhoogd. Het idee is om meer geld in de handen van de gewone man te brengen. Dat is natuurlijk mooi, maar daarmee is ook de basis gelegd voor een traditioneel Hollandse loon-prijsspiraal (voor de jongere lezers: het gebeurde in de jaren ’70 in Nederland nog wel eens dat er loonsverhogingen van 5-10% werden toegekend in CAO-onderhandelingen). De gewone man in China ziet dus inflatie van alle kanten op hem af komen en is ervan overtuigd dat de overheid hem voor het lapje houdt met het officiële cijfer van 5%. Niets bijzonders. Kunt u zich nog de discussie herinneren na de invoering van de euro? De regelmatige horecagast wist zeker dat de inflatie hoger was dan 3%! Anderzijds krijgen de meeste Chinezen een steeds hoger inkomen: in de industrie verdient men gemiddeld ruim 200 euro per maand en dat is twee keer zoveel als vijf jaar geleden. Met een dergelijk loonstijging kun je wel wat inflatie verdragen.
Tenslotte is er nog het Chinese kuddegedrag dat inflatie aanwakkert. Als reactie op het slechte nieuws uit Japan en de onzekerheid rondom een mogelijke nucleaire ramp ontstond er een ware run op zout in de Chinese winkels. De prijs van een pak zout werd wat de gek er voor geeft en in vele keukenkastjes is de zoutvoorraad voor de komende jaren op peil. Vorige week kondigden zeepproducenten plannen aan de prijs te gaan verhogen en in het weekend raakten de meeste supermarkten door hun voorraad zeep, wasmiddelen en shampoo heen.
Inflatie is inmiddels volksvijand numero één geworden want het heeft potentieel sociale onrust tot gevolg. En dat betekent dat volgens traditioneel communistisch gebruik ook weer het wapen van prijscontroles uit de kast wordt gehaald. Met sociale harmonie in het achterhoofd is het goed te verdedigen in te grijpen in het kapitalistische proces. Die boeven proberen nu al weer de prijzen te verhogen! Leg het grootkapitaal aan banden!
Het risico daarvan is dat in een imiddels grotendeels marktgedreven economie als China zulke prijscontroles in 2008 bleken te leiden tot wijdverbreide tekorten door producenten die tegen de lage prijzen niet konden of wilden leveren. Ook niet goed voor de sociale harmonie. Kortom, het inflatiespook is voorlopig nog niet terug in de fles.
Vanuit Hongkong interessant om te constateren dat veel producten hier nu goedkoper zijn dan in China zelf. In een recente prijsvergelijking kostte bijvoorbeeld een pond bananen in Hongkong €0,40 terwijl die in Beijing ruim €0,50 kostten. Ook rijst als hoofdbestanddeel van het dieet, is in Hongkong bijna 10% goedkoper dan in de hoofdstad (€10 voor 5 kilo versus €11 in Beijing). Als signaal van toegenomen welvaart in China mag ook gelden dat de cappuccino bij Starbucks in Beijing €3,10 kost terwijl daar in Hongkong maar € 2,60 voor hoeft te worden betaald. Nu de huizenprijzen ook in China hoog zijn, zijn er gepensioneerden die terug komen naar Hongkong voor de lagere kosten van levensonderhoud en het aanzienlijker prettiger belastingklimaat. Een ander onderzoek vergelijkt prijzen van goederen en diensten in Shanghai met andere wereldsteden en komt tot de conclusie dat inwoners van Shanghai in verhouding tot hun inkomen voor 2/3 van de producten het duurste uit zijn. Dit soort hoge prijzen passen niet bij een land met een wisselkoers die algemeen aangenomen wordt ondergewaardeerd te zijn. Onderschatting van het inflatieprobleem heeft er bij velen ook toe geleid dat men de kracht van de wisselkoers overschat. Mocht China de wisselkoers vrij laten dan zou die naar mijn mening onder druk van de geldstroom tijdelijk versterken maar daarna al spoedig ontmaskerd worden als overgewaardeerd.
Arnout van Rijn, maart 2011.
Deze column verscheen eerder in de
DFT.